Handel en strijd
De boeren in de delta van het Oer-IJ woonden dan wel op losse boerderijen, ze behoorden wel degelijk tot een samenleving, een grotere groep die op gezette tijden bij elkaar kwam om te overleggen, recht te spreken, feest te vieren en eer te bewijzen aan de goden en de voorouders. Er weren goederen uitgewisseld, getrouwd en soms ook gestreden. En er waren handelscontacten die tot ver buiten de eigen streek reikten. Kortom, de mensen rond het Oer-IJ wisten wel iets van de wereld. In de eeuwen rond het begin van de jaartelling waren de gemeenschappen piepklein. Mensen leefden in familieverband. De kleinschalige en traditionele Friese samenleving kende slechts geringe verschillen in macht en aanzien. De plaatselijke leidersfiguren die er ongetwijfeld waren, omgaven zichzelf niet met pracht en praal. Kostbare sieraden, rijk bewerkte wapens of indrukwekkende grafmonumenten uit deze tijd zijn niet aangetroffen. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus vermeldt als bijzonderheid dat leidende Friese personen na hun dood werden verbrand, net als iedereen – maar wel op een brandstapel van beter hout! Of het nou waar is of niet, het typeert in ieder geval hoe egalitair de samenleving was. Voor zover er verschillen in welvaart waren, bestonden die vooral in het grotere of kleinere aantal runderen dat een familie bezat. Wie de pech had dat een paar van zijn koeien doodgingen, was meteen een stuk armer. Zo simpel was dat.
Een duidelijke wereld
De Friezen rond het Oer-IJ kenden geen formeel bestuur, professionele rechtspraak of georganiseerde godsdienst, laat staan een scheiding der machten. Hun samenleving had veel gemeen met die van hedendaagse ‘inheemse volken’: stammen die zonder schrift en zonder eigen staat leven, dicht bij de natuur. Kenmerk van zulke samenlevingen is een alomvattend en samenhangend wereldbeeld. Bestuurlijke, juridische en religieuze zaken liepen bij de Friezen van het Oer-IJ veel meer door elkaar dan wij nu gewend zijn. Hun wereldbeeld was nauw verbonden met de mythen over goden en voorouders die men van generatie op generatie doorgaf. Alle rituelen en verhalen versterkten en ‘bewezen’ elkaar. Een term als ‘gewoontes’ of ‘gebruiken’ drukt goed uit hoe al deze opvattingen en handelingen nauw met elkaar verweven waren en als één samenhangende kluwen van generatie op generatie werd doorgegeven.
Wie verre reizen maakt…
De handel was zeer beperkt in de eeuwen voor het begin van de jaartelling, omdat men voor het overgrote deel in zijn eigen behoeften voorzag. Wel moest men soms wat verder reizen. Wie een huis ging bouwen, had palen nodig van grote stevige eikenbomen. Die waren er niet in de delta van het Oer-IJ, maar wel in de bossen op de strandwallen en verder weg, richting het Gooi. We kunnen ons voorstellen hoe een groepje mannen in kano’s en te paard op pad ging, geschikte bomen uitzocht, ze omhakte en van de onbruikbare delen ontdeed en ze ’s avonds of ’s anderendaags naar huis vervoerde, zo veel mogelijk over water. Dicht bij huis waren er ambachtslieden die – al dan niet ‘in deeltijd’ naast hun boerenbedrijf – hun diensten aanboden. Smeden met name, die ijzer konden bewerken tot gereedschappen.
Daarnaast waren er twee hele belangrijke dingen die van grotere afstand kwamen: ijzererts en stenen. Maalstenen kwamen helemaal uit de Eifel, de kleinere stenen van de Utrechtse Heuvelrug. Er moeten handelsnetwerken hebben bestaan, maar hoe die er in deze tijd uitzagen is onduidelijk. Wellicht waren er gespecialiseerde handelaars die langs de rivieren reisden. Misschien dat eens in de paar jaar een kleine groep boeren zelf een verre expeditie ondernam. Maar het is ook denkbaar dat de handelswaar stapje voor stapje, via vele eigenaars, de Noord-Hollandse kust bereikte. Hoe het ook zij, de ‘koper’ betaalde niet met geld maar ruilde de gewenste producten voor huiden, geweven stoffen, leer, zout of aardewerk.
Romeinse tijd: eerst strijd, dan handel
De samenleving aan het Oer-IJ veranderde nadat de Romeinen Nederland ten zuiden van de Oude Rijn hadden bezet. Maar niet meteen. Na de slag bij Castellum Flevum (zie hieronder) in het jaar 28 lieten de Friezen en de Romeinen elkaar ruim een eeuw links liggen. Halverwege de tweede eeuw knoopten ze contacten aan. De Romeinen hadden grote behoefte aan veeteeltproducten, zoals vlees en huiden. De Friezen legden zich dan ook toe op de veeteelt, al bleven de boeren op de drogere gronden ook graan verbouwen – waarschijnlijk zelfs genoeg om de veeboeren in de kwelders te kunnen voorzien. Van de Romeinen betrokken de Friezen bijzondere producten als brons, glas, wellicht ook olie en wijn en andere luxewaren.
De handel stokte toen de Romeinen halverwege de derde eeuw hun militaire aanwezigheid aan de Oude Rijn opgaven.
De slag om Castellum Flevum
Belasting was de inzet van de strijd tussen de Romeinen van Fort Velsen en de boeren van het Oer-IJ-gebied. De boeren moesten hun belasting betalen in de vorm van runderhuiden, maar de Romeinen vroegen meer dan ze konden missen. Over de aanleiding tot het conflict schreef Tacitus het volgende: ‘In hetzelfde jaar [28 n. Chr.] hebben de Frisii, een volk van over de Rijn, de vrede verbroken, niet zozeer uit ontevredenheid met hun horigheid, alswel wegens onze hebzucht. Drusus [de Romeinse generaal die de Friezen had onderworpen] had hun overeenkomstig hun beperkte middelen een matige belasting opgelegd, namelijk de levering van runderhuiden voor militair gebruik, waarbij niemand zich bekommerde om de sterkte of grootte, totdat Olennius, een centurion die door de militaire leiding belast was met het bestuur over de Frisii, de huiden van wilde runderen als norm voor de levering koos. Deze belasting, die voor andere volkeren ook al zwaar was, verdroegen de Germanen met nog meer moeite, omdat ze slechts bescheiden kuddes hadden. Eerst gaven ze de runderen zelf af, vervolgens de akkers en tenslotte hun vrouwen of kinderen als slaven. Woede en protest kwamen los. Toen er geen oplossing kwam, zochten ze hun heil in de oorlog. De soldaten die de belasting kwamen innen, werden gegrepen en gekruisigd. Olennius wist de verbitterden te ontvluchten en redde zich in een vesting, Flevum genaamd. Daar bewaakte een flink aantal Romeinen en verbondenen de kusten van de oceaan.’
Het verhaal gaat verder: Olennius was hier niet veilig, want de boeren trokken op naar het fort en vielen het van twee kanten aan: vanuit het zuiden en vanuit het noorden. De zuidelijke aanval wisten de verdedigers af te slaan, maar aan de noordkant drongen de aanvallers het kamp binnen. Vervolgens trachtten twee ‘verse’ groepen Friezen het fort binnen te komen: een vanuit het noordoosten, een andere over de rivier. Beide werden afgeslagen. Tenslotte werden ook de Friezen die wel het fort binnengedrongen waren, het water in gedreven. Het moet een dubbeltje op zijn kant geweest. De Romeinen raakten eerst door hun munitie heen, en vervolgens zelfs door hun loodvoorraad. Een deel van de kogels lijkt ter plekke - tijdens de veldslag - gegoten te zijn. Ze waren een stuk lichter en slordiger gevormd.
Slag van Baduhenna
Na de slag bij het fort ging de opstand elders in de streek verder. De Romeinen gingen de Friezen achterna. Ze moesten bruggen maken om hun zware bewapening over de kreken van het estuarium te krijgen. De Friezen waren in het voordeel. Ze waren lichtbewapend (schilden en speren) en kenden de drassige gebieden op hun duimpje. Ze lokten de Romeinen steeds dieper het estuarium in. Een grote veldslag vond - volgens Tacitus- plaats in het ‘woud van Baduhenna’. Welk bos dit was, is onduidelijk. Het kan in Heiloo zijn geweest, maar ook in Bakkum. Negenhonderd Romeinen vonden de dood door Friese wapen en vierhonderd doodden elkaar ‘omdat ze verraad vreesden’, schrijft Tacitus. Hiermee was de Friese overwinning een feit. Hoe het met de centurion Olennius zelf is afgelopen, vermeldt de geschiedschrijver niet. Tenzij Olennius de Romeinse militair is die in een waterput in het fort gevonden is. Maar dit slachtoffer was met zijn ongeveer 25 jaar waarschijnlijk te jong voor de hoge positie van bestuurder over de Friezen.
Kranige krijgers of vreedzame veetelers?De Friezen waren Germanen, en de Germanen hebben een reputatie als vechtersbazen. Romeinse teksten en Germaanse mythen wijzen allemaal in één richting: dit was een cultuur die oorlog zeer serieus nam. Een echte kerel was een dappere, om niet te zeggen: een roekeloze strijder. Dat was enerzijds lastig voor de Romeinen, want hun legioenen stuitten geregeld op fel, zij het matig georganiseerd verzet. Maar het bood hun ook voordelen. Doordat de Germaanse stammen ook onderling voortdurend slaags raakten, konden de Romeinen hen tegen elkaar uitspelen en vervolgens als lachende derde de verzwakte tegenstander verslaan. Divide et impera heette dat, ‘verdeel en heers’. Waren de Germanen eenmaal verslagen en gekalmeerd, dan konden ze vervolgens goede rekruten voor het Romeinse leger leveren. De Friezen waren een van de stammen waar de Romeinen een aanzienlijk aantal legionairs wierven. Waren de Friezen aan het Oer-IJ nu ook van die kranige krijgers? Niet in die zin dat ze voortdurend op oorlogspad zouden zijn. Het grootste deel van de tijd waren ze gewoon aan het boeren: hun vee aan het hoeden, hun velden aan het bewerken. Maar krijgshaftig waren ze wel degelijk, want ze wisten uitstekend van zich af te bijten als het eropaan kwam. Toen ze zich in het nauw gedreven voelden door de onredelijke eisen van de Romeinse belastinginners, brachten ze een leger op de been dat een bloedbad onder de Romeinen van Castellum Flevum aanrichtte. Het is ondenkbaar dat ze daarin geslaagd zouden zijn als ze voorheen al hun conflicten ongewapend en in goed overleg oplosten.
De slag bij Castellum Flevum laat overigens een patroon zien dat bij Germaanse stammen gangbaar was: een troepenmacht kwam alleen bij bijzondere gelegenheden tot stand. De rest van de tijd werd er kleinschalig gebakkeleid, tussen families of individuen. Daarbij ging het er ongeremd aan toe. Een beetje als caféruzies tussen dronkenmannen, met botbreuken, steek- en snijwonden als resultaat. En aangezien er bij de Friezen, zoals bij alle Germanen, veel vetes tussen families voorkwamen, leidde de ene ruzie doorgaans tot de andere, en die tot een derde...
Recent gevonden:
In Uitgeest is in 2005 een zwaardschedepuntbeschermer gevonden. Het is een in brons gegoten kap die ervoor zorgde dat de punt van het zwaard niet door de leren schede heen sloeg. Deze beschermkap is gemaakt als nabootsing van een oorspronkelijk Romeins ontwerp, maar qua vorm en uitvoering doet hij sterk denken aan een exemplaar dat in Thorsbjerg in Denemarken is gevonden. Het betreft daar een offer in een veenpoel.
De tijd van ongelijkheid: van edelen tot horigen
Na een periode van enkele eeuwen waarin het Noord-Hollands kustgebied zeer dun bevolkt was (zie informatie Bewoners), trekt in de zesde eeuw de bevolkingsomvang in het Oer-IJ-gebied weer aan, grotendeels door immigratie. De samenlevingen van deze ‘nieuwe Friezen’ kennen veel meer hiërarchie. Dit is de tijd van het zogeheten Friese koninkrijk, met heersers als Redbad en Aldgisl. Maar deze mannen zijn bekend omdat ze met de Franken strijd leverden om Utrecht en Dorestad. Het is zeer wel denkbaar dat zij maar een klein territorium beheersten. Zo goed als zeker viel het Oer-IJ-gebied daarbuiten. Of ze over het huidige Friesland heersten, is ook nog maar de vraag. Koninkrijken werden in deze tijd niet afgebakend door een geografische grens, maar door persoonlijke trouw aan een koning. Om over een gebied te heersen, moest de vorst in eigen persoon of via zijn gevolg van edelen trouw en gehoorzaamheid van zijn onderdanen afdwingen.
Al behoorde het Oer-IJ-gebied niet tot het koninkrijk van Redbad en Alsgisl, toch waren ook hier de verschillen in macht en aanzien veel groter dan in voorgaande eeuwen. Er moeten lokale heersers en edellieden zijn geweest, wier namen niet aan ons zijn zijn overgeleverd. Het staat bijvoorbeeld vast dat er bij Velsen een voornaam landgoed was. Hier moeten Friese edellieden een machtsbasis hebben gehad. Deze edellieden – in onze tijd zouden we ze misschien eerder krijgsheren noemen – moeten in die periode weer allerlei militaire conflicten met elkaar hebben uitgevochten. De oude Germaanse strijdlust was nog niet geweken. De Friese samenleving van deze tijd was een standenmaatschappij. Men onderscheidde drie standen: edelen, vrijen en horigen. Daar nog onder stonden de slaven. Dit was niet typisch Fries, maar in een veel groter gebied gangbaar, zowel bij Germanen als elders. De slavernij was overigens een heel andere dan die van de Afrikanen op de Amerikaanse plantages, met zijn onmenselijke wreedheden. De slaven in de Middeleeuwen waren eerder te vergelijken met boerenknechten, zij het zonder salaris. Of er ook in het Oer-IJ-gebied slaven waren, is niet helemaal zeker, maar ligt wel voor de hand. Van ‘gelijkheid voor de wet’, zoals wij die kennen, was geen sprake. Juist de ongelijke positie van edelen, vrijen, horigen en slaven was wettelijk verankerd. Dat is duidelijk te zien in de Lex Frisionum. Deze ‘Wet der Friezen’ is in het jaar 802 door de Frankische overheid in het Latijn op schrift gesteld. De meeste regels die erin staan golden al in de Friese samenleving van de zesde en zevende eeuw, al stonden ze dan nog niet op papier. Voor verschillende standen golden verschillende straffen voor dezelfde misdaad. Dit is een principieel verschil met onze huidige rechtspraak.
Lex Frisionum
Voor de moderne lezer is de Lex Frisionum een vaak schokkend, soms ook hilarisch document. Uiteraard ervoeren de toenmalige Friezen dat niet zo. Zij vonden het normaal dat de verkrachter van een slavin een boete opgelegd kreeg, te betalen aan haar eigenaar. Zij vonden het normaal dat de boete voor verkrachting lager werd naarmate de vrouw in kwestie al vaker verkracht was. En zij vonden het normaal dat de wet precieze straffen vastlegde voor het toebrengen van uiteenlopende verwondingen: builen, uitgestoken ogen, uitpuilende darmen, afgesneden testikels, afgehakte ledematen.
Het verschijnsel gevangenisstraf bestond niet. Op de meeste misdrijven stond een boete, weergeld geheten. Door die te betalen bracht de dader verzoening tot stand tussen de gedupeerde familie en die van hemzelf. Daarnaast kende men in uitzonderlijke gevallen de doodstraf, preciezer gezegd: doodmartelen. Deze straf hing bijvoorbeeld de slaaf of horige boven het hoofd die zijn eigen heer had gedood.
De schuld van een verdachte werd niet bepaald aan de hand van materieel bewijs, maar met behulp van eden. Stel, een vrij man werd verdacht van doodslag op een vrije vrouw. Zwoer hij dat hij onschuldig was, en zwoeren elf andere personen (eedgenoten) dat ze hem vertrouwden, dan ging de verdachte vrijuit. Let wel: de eedgenoten zwoeren niet dat de verdachte onschuldig was, maar enkel dat ze hem vertrouwden. Lukte het een verdachte niet de eedformule correct uit te spreken, dan werd dat gezien als een goddelijke ingreep. De eed was dan ongeldig en de verdachte schuldig.
Het vereiste aantal van elf eedgenoten gold alleen als verdachte en slachtoffer tot dezelfde stand behoorden. Behoorde de verdachte tot een hogere stand, dan hoefde hij minder eedgenoten te verzamelen, en omgekeerd juist meer. Een extreem voorbeeld: de edelman had maar twee eedgenoten nodig om het doden van een horige te ‘weerleggen’, maar in het omgekeerde geval had de horige er 47 nodig! Slaven behoorden tot een andere categorie. Wie een slaaf doodde, kreeg dezelfde straf als wie andermans varken doodde: de betaling van schadevergoeding aan de eigenaar.
In een aantal gevallen was doodslag trouwens helemaal geen misdrijf. Een overspelige mocht worden gedood, evenals de schender van een heiligdom en een insluiper in andermans huis. Moeders mochten hun pasgeboren kind doden.
De Friese handel
De handel, die in Noordwest-Europa vrijwel stilgevallen was na het vertrek van de Romeinen, bloeit in de zevende eeuw weer op. Met de Friezen in de hoofdrol. Er ontstaat een Fries handelsnetwerk dat de hele Noordzee en het Rijnland omspant: van Engeland tot Zuid-Duitsland en van Bretagne tot Oost-Zweden – kortom, het grootste deel van de Germaanse wereld. In al deze gebieden ontstaan er speciale handelsnederzettingen. De allervoornaamste was Dorestad, aan de rand van Frisia gelegen, dat zowel aan de Rijn lag als toegang tot zee had. De Friezen waren zo dominant in de handel rondom de Noordzee, dat het begrip ‘Fries’ in diverse talen nog tot na het jaar 1000 synoniem was aan ‘handelaar’.
De Friese handelaars vervoerden zowel luxegoederen als meer alledaagse zaken: wollen stoffen, huiden, perkament, zuivel, aardewerk, metalen voorwerpen, vee en vlees, vis, zout, wijn, bont, walrusivoor, molen- en slijpstenen, barnsteen - en aanvankelijk ook slaven. Aan de lijst is al te zien dat ze bepaald niet alleen Friese producten exporteerden, maar handelden in alles waar vraag naar was. Naar hedendaagse begrippen ging het om kleine hoeveelheden: een schip vervoerde zo’n zes à acht ton goederen. De frequentie van de tochten was laag, en sowieso onregelmatig.
De verhandelde goederen, en zeker de kostbaarheden, waren hoofdzakelijk bestemd voor de elite. Koningen en andere hooggeplaatsten hadden die nodig om weg te kunnen geven. Ceremoniële giften waren in de hele Germaanse wereld (en daarbuiten) een belangrijk middel om relaties te onderhouden. Leiders moesten cadeaus geven om zich van de trouw van hun volgelingen te verzekeren. Immers, wie iets gekregen heeft, staat in het krijt.
Merkwaardig genoeg is er in het hele Friese gebied niet één schip teruggevonden. Dit is gedeeltelijk te verklaren uit het feit dat er nog maar weinig opgravingen onder water zijn verricht. Wel zijn er in Dorestad munten gevonden waarop schepen staan afgebeeld. Zeilschepen, om precies te zijn. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Tijdens de Grote Volksverhuizing staken de Germanen nog in roeischepen de Noordzee over naar Engeland. Kennelijk hadden ze de zeiltechniek niet overgenomen van de Romeinen. Maar ergens tussen 500 en 800 hebben ze zich die alsnog eigen gemaakt.
Van het Friese handelswerk moet ook het Oer-IJ-gebied deel uitgemaakt hebben. Via de Rijn of het Almere (zoals het IJsselmeer toen heette) konden handelaars makkelijk het Oer-IJ bereiken. Ook is het denkbaar dat ze vanuit het westen dicht bij het strand aanlegden en zo in de nederzettingen op de strandwal hun waren aanboden. Al zijn er geen schepen aangetroffen, de handelswaren zijn wel volop gevonden. Vooral Rijnlands aardewerk vond gretig aftrek bij de bewoners van het Oer-IJ-gebied.